1940
-
-
-
-
1941
-
-
-
-
1942
-
-
-
-
1943
-
-
-
-
1944
-
-
-
-
1945
-
-
-
-
> 1945
-
-
-
-

R. Geweldsincidenten (overig) te Nijmegen

1943-1944

Jan Hendrik Cornelis Pluim

 

Jan Pluim werd in Nijmegen geboren op 7 juli 1896. Hij was protestants, was in 1920 gehuwd met Maria Klazina Hendriks uit Veenendaal, had een zoon en een dochter en woonde op Marialaan 55. Hij was als fabrieksarbeider bij de Hollandiafabriek begonnen en was sedert 1930 ploegbaas van de tarwe-afdeling. Verder was hij in 1938 lid van de financiële commissie van het Hollandia-Jubileum-Comité. In 1943 was Jan Pluim drie keer enige tijd ziek geweest, eerst vier dagen, later zes dagen en nog later twee maanden, maar onduidelijk is door welke oorzaak. Volgens Pluims echtgenote ontving Pluim tijdens zijn ziekte een dreigbrief, geschreven in blokletters met rode inkt, waarin o.a. stond: "Ga maar gauw kapot want de kat heeft al een gat voor jou gegraven!” en onder aan de brief stond een kat getekend. En op 16 maart 1944 werd hij opnieuw ziek, maar dit keer buitengewoon ernstig, want de toen 47-jarige Jan Pluim overleed na acht dagen op 23 maart 1944. Zijn zoon Wouter die ook bij Hollandia gewerkt had, was toen in Duitsland, waar hij vanaf 1943 verplicht tewerk was gesteld. In de PGNCvan 25 maart 1944 verschenen twee overlijdensadvertenties, een van zijn echtgenote en kinderen en een van zijn jongere broer Henk Pluim en diens echtgenote en dus geen van de kant van de Hollandiafabriek, zoals wél bij Heutink was gebeurd. De stoffelijke resten van Jan Pluim werden begraven op Rustoord. Op 7 augustus 1944 werd de jongere broer van Jan, de 41-jarige Henk Pluim ziek. Maar deze Pluim overleefde zijn ziekte doordat men dankzij de obductie op Jo Giesen ruim twee weken later de vergiftiging herkende en gericht kon bestrijden. Henk Pluim herstelde en keerde begin januari 1945 geheel grijs geworden weer op zijn werkplek terug.

Bronnen: zie bronnen bij gebeurtenis en verder PGNC van 25 maart 1944; Jubileumboekje Hollandia (1938), p. 8. En een uitgebreidere versie van deze reconstructie: Henk Termeer, ‘Misdaad of verzet? De zeven onopgeloste gifaanslagen op werkbazen in de Hollandia/Honig Levensmiddelenfabriek te Nijmegen in de bezettingsjaren 1943-1944 en hun nasleep; een reconstructie’, Nijmeegs Katern 32(2018), nr. 1 (februari), 2-11, ook als pdf op de site van het Nijmeegs Katern

 

 

 

Persoongegevens

Overlijdensgegevens

Naam:
J.H.C. Pluim
Voornamen:
Jan Hendrik Cornelis
Roepnaam:
Jan
Geslacht:
Man
Nationaliteit:
Nederlandse
Geloof:
protestant
Beroep:
ploegbaas Hollandiafabriek
Burgerlijke staat:
gehuwd
Adres:
Marialaan 55
Woonplaats:
-Onbekend-
 
Geboortedatum:
07-07-1896
Geboortedatum toevoeging:
Geboorteplaats:
Nijmegen
Datum:
23-03-1944
Datum toevoeging:
Leeftijd:
47 jaar

Plaats:
Nijmegen
Locatie:
Marialaan 55
Begraafplaats:
Rustoord
Omstandigheid:
omgebracht
 
Categorie:
Burgers
Dossiernummer:

05 Gifaanslagen op werkbazen in de Levensmiddelenfabriek Hollandia (later Honig), 1943-1944

In dit ongeveer 300 werknemers tellende voedingsmiddelenbedrijf, gelegen in het Waterkwartier aan de Havenweg en de Waaloever te Nijmegen, hebben vanaf begin juli 1943 tot en met medio augustus 1944 naar alle waarschijnlijkheid zeven gifaanslagen met rattengif (thallium) op werkbazen plaatsgevonden. Daarvan hadden er vijf een dodelijke afloop. Ondanks uitvoerig politie-onderzoek voor en na de bevrijding en de tijdelijke arrestatie van twee verdachten, zijn deze vijf gifmoorden nooit opgelost en is er dus ook niemand voor veroordeeld of gestraft.

Het eerste slachtoffer was Hein van den Berg, voorman op de tarwe-afdeling. Hij werd ziek op 9 juli 1943, maar overleefde de aanslag, waarschijnlijk door een te kleine dosis gif. Als gevolg daarvan werd hij geheel blind. Hij keerde weliswaar op 15 april 1944 weer op de fabriek terug, maar wordt sindsdien beschreven als een lichamelijk wrak. De goed met Van den Berg bevriende, 39-jarige werkbaas Hendrik Tempel werd het eerste dodelijke slachtoffer. Hij werd ziek op 16 november 1943 en overleed tien dagen later op 25 november in de overtuiging, net als Van den Berg, dat hij op de fabriek vergiftigd was. Het tweede dodelijke slachtoffer was de pas 27-jarige werkbaas van de vermicelli-afdeling Jochem Heutink. Hij werd ziek op 12 februari 1944 en overleed al na acht dagen op 19 februari. Zijn huisarts veronderstelde, net als zijn collega’s in de eerdere gevallen, een natuurlijke dood. De directie plaatste in zijn geval voor het eerst een overlijdensadvertentie. Maar nauwelijks een maand later, op 23 maart 1944, stierf nadat hij een dreigbrief had ontvangen de derde werkbaas, de 47-jarige Jan Pluim, hoofd van de tarwe-afdeling. Na ruim drie maanden ‘rust’ werd op 3 juli de vierde baas ziek, de 45-jarige lijnbaas Henk Claassen. Deze Claassen was pas ruim twee maanden eerder, op 23 april 1944, bij Hollandia in dienst gekomen, nadat hij daarvoor 25 jaar bij Chocoladefabriek Van Dungen had gewerkt. Claassen overleed op 18 juli en ook na zijn dood werd nog geen nader onderzoek ingesteld in de veronderstelling dat het om een natuurlijke dood ging. Kort na Claassens dood werd op 7 augustus 1944 de 41-jarige Henk Pluim ziek, de jongere broer van Jan. Maar deze Pluim, een forse man, overleefde zijn ziekte en keerde na enkele maanden geheel grijs geworden, weer op zijn werkplek terug. Al vier dagen na de jonge Pluim ten slotte, werd op 11 augustus de 40-jarige werkbaas Jo Giessen van de rijstafdeling ziek. Deze stierf na tien dagen op 21 augustus 1944 als laatste van deze reeks. En pas in zijn geval werd er op aandringen van de bedrijfsarts obductie gepleegd en vastgesteld dat de doodsoorzaak vergiftiging door thallium was.

In de fabriek had het eerder natuurlijk al maandenlang gegonsd van geruchten over de oorzaken van deze merkwaardige ‘bazenziekte’. Maar in augustus 1944 ontstond pas officieel de verdenking dat er ook bij de eerdere sterfgevallen van thalliumvergiftiging sprake was geweest. De symptomen van die specifieke vorm van vergiftiging waren namelijk nogal uitgesproken: algehele haaruitval, tintelingen in handen, voeten en tong gevolgd door hevige pijnen en krampen en uiteindelijk door algehele aantasting gedurende een uiterst pijnlijk en al met al afschuwelijk stervensproces van 8 à 16 dagen de dood.

De dodelijke slachtoffers van deze aanslagen kunnen als oorlogsdoden gelden, omdat hun dood duidelijk samenhing met de almaar toenemende druk en de zenuwenoorlog waarin de bezetter, de fabrieksdirectie, de werkbazen en de arbeiders van de Hollandiafabriek als gevolg van de bezetting in de jaren 1943-1944 terechtkwamen. De bezettende macht stelde in deze beslissende jaren steeds hogere eisen inzake de productie en vanaf het voorjaar van 1943 ook aan de uitzending van werknemers naar Duitsland (arbeidsinzet). De fabrieksleiding o.l.v. directeur C.F. van Noppen zag zich daardoor genoodzaakt om de fabriek te runnen met werkbazen die bereid waren om de arbeiders meer dan in vredestijd onder druk te zetten, om overtredingen door werknemers van de fabrieksregels direct aan de directie door te geven en om voor het productieproces minder noodzakelijke werknemers eventueel aan te wijzen voor uitzending naar Duitsland. Er heerste deze jaren in de fabriek volgens de getuigenissen van veel van de gehoorde werknemers niet alleen schaarste en een voortdurend hongergevoel, maar op bepaalde afdelingen ook een bijzonder ongezond werkklimaat (stank van kadavers, rottingsprocessen, ratten). Bovendien was in de hele fabriek ook sprake van een duidelijke angstcultuur en een zenuwslopend jaag- en drijfsysteem om de productie van de kriegswichtigelevensmiddelen door de arbeiders almaar op te voeren. Daarbij ging het om de volgende soorten levensmiddelen van het merk Honig: door indroging geconserveerde bouillonblokjes, jus- en ragouttabletten, soepen in poedervorm, stroop, pudding, maïzena, bindmiddelen, vermicelli, spaghetti en macaroni en diverse ersatzproducten (surrogaatthee Santé, nepkoffie Colonia, namaaksuiker Aros). Verder kregen de toch al machtige werkbazen op de fabriek extra voedsel, wat in deze magere jaren van toenemende schaarste natuurlijk de afgunst van de gewone arbeiders jegens de werkbazen vergrootte.

De gevolgen van de gifaanslagen waren voor de achterblijvende weduwen en hun kinderen natuurlijk het meest ingrijpend en buitengewoon traumatisch. Ondanks hulp en assistentie van de kant van de Hollandia-directie in de vorm van uitkeringen en naai-opdrachten voor enkele weduwen, daalde het inkomen van de getroffen gezinnen drastisch en slaagden deze vrouwen er slechts met veel moeite in het hoofd boven water te houden en hun kinderen in hun eentje in de toch al sobere en moeilijke naoorlogse jaren op te voeden. De directie werd door de aanhoudende reeks dodelijke slachtoffers onder de bazen van een groot deel van zijn kader beroofd en moest hen in de moeilijke bezettingsomstandigheden (gebrek aan grondstoffen, productie-eisen, arbeidsinzet) door nieuwe werkbazen vervangen. De gewone arbeiders werden door de steeds nieuwe sterfgevallen onder de werkbazen – men sprak van de ‘bazenziekte’ – nog onzekerder: het harde werken ging gepaard met willekeur en dreiging van ontslag of verplichte tewerkstelling in Duitsland. Het gonsde van de geruchten en het toch al grote ziekteverzuim steeg. De werknemers waren door alle incidenten zeer achterdochtig geworden en bovendien voorzichtig met wat ze in de fabriek aten en dronken.

Een groepje van vijf werknemers is in deze moeilijke jaren begonnen met het stelen van voedingsmiddelen (tarwe, mais, suiker). Toen werkbazen hen op het spoor kwamen, schreven ze dreigbrieven en deden ze vervolgens ook pogingen om die werkbazen met het op diverse plekken in de fabriek aanwezige rattengif uit te schakelen. Dat gif werd vermoedelijk in de drinkflessen gedruppeld. Die evident criminele daden hadden in de zeer gepolariseerde tegenstellingen van 1943 en 1944 ook een aspect van zelfverdediging, van rechtvaardigheid en van verzet tegen het jaag- en drijfsysteem waarmee de bezetter en de Hollandia-directie de voorgeschreven oorlogsproductie realiseerden en ook tegen de steeds riskanter wordende verplichte tewerkstelling van de arbeiders in Duitsland. Een van de drukmiddelen van directie en werkbazen bestond namelijk uit het opstellen van lijsten voor het Gewestelijk Arbeidsbureau. Daarop stond aangegeven hoe onmisbaar elke werknemer was voor het productieproces. En hoe misbaarder, hoe groter de kans dat arbeiders voor de arbeidsinzet zouden worden aangewezen. Van de zestien bekende, zo door de Hollandiafabriek aangewezen en naar Duitse fabrieken gestuurde arbeiders, kwamen er daar voor zover bekend twee om het leven. In mei 1944 werd het overlijden bekend van de naar Duitsland uitgezonden Hollandia-werknemer Nico Geurts. Zijn Hollandia-collega’s plaatsten toen twee rouwadvertenties, terwijl de directie dat opvallend genoeg helemaal naliet. Een van de ondertekenaars van de rouwadvertentie was toen Everard Driessen. Die werd wat later vervolgens zelf uitgezonden en kwam begin 1945 ook in Duitsland om.

Dat het niet gekomen is tot veroordeling van de verdachten, heeft ook veel met het oorlogsverloop te maken. Net vóór de bevrijding van Nijmegen namelijk werd op grond van het onderzoek door de Nijmeegse politie-inspecteur A.C. Schouten en een handschriftvergelijking met de dreigbrieven een werknemer X aangehouden en in Arnhem gevangen gezet. Meteen daarna begon met de Operatie Market Garden de dagenlange strijd om de bevrijding van Nijmegen. Begin oktober 1944 werd het politiebureau door inslagen verwoest en ging ook het betreffende onderzoeksdossier met bewijsstukken in vlammen op. Kort daarna werd door een nieuwe dreigbrief aan inspecteur Schouten duidelijk dat X onschuldig was. Maar deze kon pas na de bevrijding van Arnhem en Zutphen acht maanden later (medio mei 1945) worden vrijgelaten.

En pas weer bijna een vol jaar later, na een periode waarin de Nijmeegse politie nagenoeg opnieuw moest worden opgebouwd, gaf in april 1946, de hoofddirecteur van Hollandia, de in Koog aan de Zaan woonachtige C.J. Honig, aan een Amsterdamse oud-inspecteur van politie, A.C. van der Veen, opdracht tot een nieuw, ditmaal door de directie betaald onderzoek. Het was toen al 2,5 jaar na de dood van het eerste slachtoffer en de politieleiding zag kennelijk weinig mogelijkheden meer om de schuldigen te vinden, maar Van der Veen kreeg bij zijn onderzoek hulp van Schouten. Voor de Hollandia-directie was een oplossing wél heel urgent. Zolang de dader(s) vrij rondliepen, zou het moeilijk zijn om de fabriek na de dood van de vijf werkbazen weer enigszins normaal te laten functioneren.

Deze oud-inspecteur Van der Veen hoorde vervolgens tussen 1 april en 5 november 1946 in totaal 69 personen, voornamelijk werknemers (53) en nabestaanden en maakte daar verslagen van. Bij die 53 waren echter niet de door hem meest verdachte werknemers. Van der Veen en Schouten hadden namelijk besloten tot een ‘omsingelingstactiek’ in de verwachting dat door het horen van hun collega’s de schuld van de verdachten vanzelf naar voren zou komen. Maar dat gebeurde niet. Uit de getuigenissen van de werknemers kwamen namelijk geen eenduidige aanwijzingen of bewijzen naar voren, maar voornamelijk ongeloof in de vergiftigingen en wat vage vermoedens. Toch kwamen Van der Veen en Schouten samen in december 1946 tot de stellige overtuiging dat een groepje van vijf met name genoemde arbeiders uit verschillende fabrieksafdelingen de bedreigingen en de gifmoorden had gepland en uitgevoerd. De vermoedelijke dader van de eigenlijke vergiftigingen werd toen gearresteerd en vastgezet. Maar bij het verdere juridische onderzoek kon het wettelijke en overtuigende bewijs van de schuld van deze ene verdachte en zijn handlangers noch aan de dreigbrieven noch aan de vergiftigingen worden geleverd. En op 6 juni 1947 werd deze bij gebrek aan bewijs vrijgelaten. En ondanks het verjaren van deze moordaanslagen begin jaren tachtig heeft zich nooit iemand als dader of medepleger gemeld. Inmiddels zullen zij wel allemaal overleden zijn.

Bronnen:

-Wim Janssen, Uit het Nimweegse verleden 93-96, Misdaad in Nijmegen 8-11: Vergiftigingen, in: Nieuwsblad De Brug van 11-7-1984, 25-7-1984, 1-8-1984 en 15-8-1984, tevens beschikbaar op: www.noviomagus.nl/Gastredactie/WimJanssen/093T.htm;

-RAN, Archief 610: Collectie Losse Aanwinsten, ontvangen in 2016, inv.nr 1: Stukken betreffende een onderzoek bij Stijfselfabriek Hollandia/Honig door oud-politieinspecteur Van der Veen, 1944-1947 (Gesprekken met nabestaanden en getuigen);

-RAN, Archief 610: Collectie Losse Aanwinsten ontvangen in 2012, inv.nr. 8: Drie cahiers met verslagen van spreekuren en huisbezoeken bij personeel door functionarissen van de Hollandia Stijfselfabriek 1944-1951; inv.nr. 8;

-RAN, Archief 1437: Personeelsvereniging Honig/Latenstein.

-Henk Termeer, ‘Misdaad of verzet? De zeven onopgeloste gifaanslagen op werkbazen in de Hollandia/Honig Levensmiddelenfabriek te Nijmegen in de bezettingsjaren 1943-1944 en hun nasleep; een reconstructie’, Nijmeegs Katern 32(2018), nr. 1 (februari), 2-11. Bovenstaande tekst is daarvan een verkorte versie.; artikelen De Gelderlander, katern Nijmegen, p. 1 en 3, 15 sept. 2018

 

 

In dit ongeveer 300 werknemers tellende voedingsmiddelenbedrijf, gelegen in het Waterkwartier aan de Havenweg en de Waaloever te Nijmegen, hebben vanaf begin juli 1943 tot en met medio augustus 1944 naar alle waarschijnlijkheid zeven gifaanslagen met rattengif (thallium) op werkbazen plaatsgevonden. Daarvan hadden er vijf een dodelijke afloop. Ondanks uitvoerig politie-onderzoek voor en na de bevrijding en de tijdelijke arrestatie van twee verdachten, zijn deze vijf gifmoorden nooit opgelost en is er dus ook niemand voor veroordeeld of gestraft.

Het eerste slachtoffer was Hein van den Berg, voorman op de tarwe-afdeling. Hij werd ziek op 9 juli 1943, maar overleefde de aanslag, waarschijnlijk door een te kleine dosis gif. Als gevolg daarvan werd hij geheel blind. Hij keerde weliswaar op 15 april 1944 weer op de fabriek terug, maar wordt sindsdien beschreven als een lichamelijk wrak. De goed met Van den Berg bevriende, 39-jarige werkbaas Hendrik Tempel werd het eerste dodelijke slachtoffer. Hij werd ziek op 16 november 1943 en overleed tien dagen later op 25 november in de overtuiging, net als Van den Berg, dat hij op de fabriek vergiftigd was. Het tweede dodelijke slachtoffer was de pas 27-jarige werkbaas van de vermicelli-afdeling Jochem Heutink. Hij werd ziek op 12 februari 1944 en overleed al na acht dagen op 19 februari. Zijn huisarts veronderstelde, net als zijn collega’s in de eerdere gevallen, een natuurlijke dood. De directie plaatste in zijn geval voor het eerst een overlijdensadvertentie. Maar nauwelijks een maand later, op 23 maart 1944, stierf nadat hij een dreigbrief had ontvangen de derde werkbaas, de 47-jarige Jan Pluim, hoofd van de tarwe-afdeling. Na ruim drie maanden ‘rust’ werd op 3 juli de vierde baas ziek, de 45-jarige lijnbaas Henk Claassen. Deze Claassen was pas ruim twee maanden eerder, op 23 april 1944, bij Hollandia in dienst gekomen, nadat hij daarvoor 25 jaar bij Chocoladefabriek Van Dungen had gewerkt. Claassen overleed op 18 juli en ook na zijn dood werd nog geen nader onderzoek ingesteld in de veronderstelling dat het om een natuurlijke dood ging. Kort na Claassens dood werd op 7 augustus 1944 de 41-jarige Henk Pluim ziek, de jongere broer van Jan. Maar deze Pluim, een forse man, overleefde zijn ziekte en keerde na enkele maanden geheel grijs geworden, weer op zijn werkplek terug. Al vier dagen na de jonge Pluim ten slotte, werd op 11 augustus de 40-jarige werkbaas Jo Giessen van de rijstafdeling ziek. Deze stierf na tien dagen op 21 augustus 1944 als laatste van deze reeks. En pas in zijn geval werd er op aandringen van de bedrijfsarts obductie gepleegd en vastgesteld dat de doodsoorzaak vergiftiging door thallium was.

In de fabriek had het eerder natuurlijk al maandenlang gegonsd van geruchten over de oorzaken van deze merkwaardige ‘bazenziekte’. Maar in augustus 1944 ontstond pas officieel de verdenking dat er ook bij de eerdere sterfgevallen van thalliumvergiftiging sprake was geweest. De symptomen van die specifieke vorm van vergiftiging waren namelijk nogal uitgesproken: algehele haaruitval, tintelingen in handen, voeten en tong gevolgd door hevige pijnen en krampen en uiteindelijk door algehele aantasting gedurende een uiterst pijnlijk en al met al afschuwelijk stervensproces van 8 à 16 dagen de dood.

De dodelijke slachtoffers van deze aanslagen kunnen als oorlogsdoden gelden, omdat hun dood duidelijk samenhing met de almaar toenemende druk en de zenuwenoorlog waarin de bezetter, de fabrieksdirectie, de werkbazen en de arbeiders van de Hollandiafabriek als gevolg van de bezetting in de jaren 1943-1944 terechtkwamen. De bezettende macht stelde in deze beslissende jaren steeds hogere eisen inzake de productie en vanaf het voorjaar van 1943 ook aan de uitzending van werknemers naar Duitsland (arbeidsinzet). De fabrieksleiding o.l.v. directeur C.F. van Noppen zag zich daardoor genoodzaakt om de fabriek te runnen met werkbazen die bereid waren om de arbeiders meer dan in vredestijd onder druk te zetten, om overtredingen door werknemers van de fabrieksregels direct aan de directie door te geven en om voor het productieproces minder noodzakelijke werknemers eventueel aan te wijzen voor uitzending naar Duitsland. Er heerste deze jaren in de fabriek volgens de getuigenissen van veel van de gehoorde werknemers niet alleen schaarste en een voortdurend hongergevoel, maar op bepaalde afdelingen ook een bijzonder ongezond werkklimaat (stank van kadavers, rottingsprocessen, ratten). Bovendien was in de hele fabriek ook sprake van een duidelijke angstcultuur en een zenuwslopend jaag- en drijfsysteem om de productie van de kriegswichtigelevensmiddelen door de arbeiders almaar op te voeren. Daarbij ging het om de volgende soorten levensmiddelen van het merk Honig: door indroging geconserveerde bouillonblokjes, jus- en ragouttabletten, soepen in poedervorm, stroop, pudding, maïzena, bindmiddelen, vermicelli, spaghetti en macaroni en diverse ersatzproducten (surrogaatthee Santé, nepkoffie Colonia, namaaksuiker Aros). Verder kregen de toch al machtige werkbazen op de fabriek extra voedsel, wat in deze magere jaren van toenemende schaarste natuurlijk de afgunst van de gewone arbeiders jegens de werkbazen vergrootte.

De gevolgen van de gifaanslagen waren voor de achterblijvende weduwen en hun kinderen natuurlijk het meest ingrijpend en buitengewoon traumatisch. Ondanks hulp en assistentie van de kant van de Hollandia-directie in de vorm van uitkeringen en naai-opdrachten voor enkele weduwen, daalde het inkomen van de getroffen gezinnen drastisch en slaagden deze vrouwen er slechts met veel moeite in het hoofd boven water te houden en hun kinderen in hun eentje in de toch al sobere en moeilijke naoorlogse jaren op te voeden. De directie werd door de aanhoudende reeks dodelijke slachtoffers onder de bazen van een groot deel van zijn kader beroofd en moest hen in de moeilijke bezettingsomstandigheden (gebrek aan grondstoffen, productie-eisen, arbeidsinzet) door nieuwe werkbazen vervangen. De gewone arbeiders werden door de steeds nieuwe sterfgevallen onder de werkbazen – men sprak van de ‘bazenziekte’ – nog onzekerder: het harde werken ging gepaard met willekeur en dreiging van ontslag of verplichte tewerkstelling in Duitsland. Het gonsde van de geruchten en het toch al grote ziekteverzuim steeg. De werknemers waren door alle incidenten zeer achterdochtig geworden en bovendien voorzichtig met wat ze in de fabriek aten en dronken.

Een groepje van vijf werknemers is in deze moeilijke jaren begonnen met het stelen van voedingsmiddelen (tarwe, mais, suiker). Toen werkbazen hen op het spoor kwamen, schreven ze dreigbrieven en deden ze vervolgens ook pogingen om die werkbazen met het op diverse plekken in de fabriek aanwezige rattengif uit te schakelen. Dat gif werd vermoedelijk in de drinkflessen gedruppeld. Die evident criminele daden hadden in de zeer gepolariseerde tegenstellingen van 1943 en 1944 ook een aspect van zelfverdediging, van rechtvaardigheid en van verzet tegen het jaag- en drijfsysteem waarmee de bezetter en de Hollandia-directie de voorgeschreven oorlogsproductie realiseerden en ook tegen de steeds riskanter wordende verplichte tewerkstelling van de arbeiders in Duitsland. Een van de drukmiddelen van directie en werkbazen bestond namelijk uit het opstellen van lijsten voor het Gewestelijk Arbeidsbureau. Daarop stond aangegeven hoe onmisbaar elke werknemer was voor het productieproces. En hoe misbaarder, hoe groter de kans dat arbeiders voor de arbeidsinzet zouden worden aangewezen. Van de zestien bekende, zo door de Hollandiafabriek aangewezen en naar Duitse fabrieken gestuurde arbeiders, kwamen er daar voor zover bekend twee om het leven. In mei 1944 werd het overlijden bekend van de naar Duitsland uitgezonden Hollandia-werknemer Nico Geurts. Zijn Hollandia-collega’s plaatsten toen twee rouwadvertenties, terwijl de directie dat opvallend genoeg helemaal naliet. Een van de ondertekenaars van de rouwadvertentie was toen Everard Driessen. Die werd wat later vervolgens zelf uitgezonden en kwam begin 1945 ook in Duitsland om.

Dat het niet gekomen is tot veroordeling van de verdachten, heeft ook veel met het oorlogsverloop te maken. Net vóór de bevrijding van Nijmegen namelijk werd op grond van het onderzoek door de Nijmeegse politie-inspecteur A.C. Schouten en een handschriftvergelijking met de dreigbrieven een werknemer X aangehouden en in Arnhem gevangen gezet. Meteen daarna begon met de Operatie Market Garden de dagenlange strijd om de bevrijding van Nijmegen. Begin oktober 1944 werd het politiebureau door inslagen verwoest en ging ook het betreffende onderzoeksdossier met bewijsstukken in vlammen op. Kort daarna werd door een nieuwe dreigbrief aan inspecteur Schouten duidelijk dat X onschuldig was. Maar deze kon pas na de bevrijding van Arnhem en Zutphen acht maanden later (medio mei 1945) worden vrijgelaten.

En pas weer bijna een vol jaar later, na een periode waarin de Nijmeegse politie nagenoeg opnieuw moest worden opgebouwd, gaf in april 1946, de hoofddirecteur van Hollandia, de in Koog aan de Zaan woonachtige C.J. Honig, aan een Amsterdamse oud-inspecteur van politie, A.C. van der Veen, opdracht tot een nieuw, ditmaal door de directie betaald onderzoek. Het was toen al 2,5 jaar na de dood van het eerste slachtoffer en de politieleiding zag kennelijk weinig mogelijkheden meer om de schuldigen te vinden, maar Van der Veen kreeg bij zijn onderzoek hulp van Schouten. Voor de Hollandia-directie was een oplossing wél heel urgent. Zolang de dader(s) vrij rondliepen, zou het moeilijk zijn om de fabriek na de dood van de vijf werkbazen weer enigszins normaal te laten functioneren.

Deze oud-inspecteur Van der Veen hoorde vervolgens tussen 1 april en 5 november 1946 in totaal 69 personen, voornamelijk werknemers (53) en nabestaanden en maakte daar verslagen van. Bij die 53 waren echter niet de door hem meest verdachte werknemers. Van der Veen en Schouten hadden namelijk besloten tot een ‘omsingelingstactiek’ in de verwachting dat door het horen van hun collega’s de schuld van de verdachten vanzelf naar voren zou komen. Maar dat gebeurde niet. Uit de getuigenissen van de werknemers kwamen namelijk geen eenduidige aanwijzingen of bewijzen naar voren, maar voornamelijk ongeloof in de vergiftigingen en wat vage vermoedens. Toch kwamen Van der Veen en Schouten samen in december 1946 tot de stellige overtuiging dat een groepje van vijf met name genoemde arbeiders uit verschillende fabrieksafdelingen de bedreigingen en de gifmoorden had gepland en uitgevoerd. De vermoedelijke dader van de eigenlijke vergiftigingen werd toen gearresteerd en vastgezet. Maar bij het verdere juridische onderzoek kon het wettelijke en overtuigende bewijs van de schuld van deze ene verdachte en zijn handlangers noch aan de dreigbrieven noch aan de vergiftigingen worden geleverd. En op 6 juni 1947 werd deze bij gebrek aan bewijs vrijgelaten. En ondanks het verjaren van deze moordaanslagen begin jaren tachtig heeft zich nooit iemand als dader of medepleger gemeld. Inmiddels zullen zij wel allemaal overleden zijn.

Bronnen:

-Wim Janssen, Uit het Nimweegse verleden 93-96, Misdaad in Nijmegen 8-11: Vergiftigingen, in: Nieuwsblad De Brug van 11-7-1984, 25-7-1984, 1-8-1984 en 15-8-1984, tevens beschikbaar op: www.noviomagus.nl/Gastredactie/WimJanssen/093T.htm;

-RAN, Archief 610: Collectie Losse Aanwinsten, ontvangen in 2016, inv.nr 1: Stukken betreffende een onderzoek bij Stijfselfabriek Hollandia/Honig door oud-politieinspecteur Van der Veen, 1944-1947 (Gesprekken met nabestaanden en getuigen);

-RAN, Archief 610: Collectie Losse Aanwinsten ontvangen in 2012, inv.nr. 8: Drie cahiers met verslagen van spreekuren en huisbezoeken bij personeel door functionarissen van de Hollandia Stijfselfabriek 1944-1951; inv.nr. 8;

-RAN, Archief 1437: Personeelsvereniging Honig/Latenstein.

-Henk Termeer, ‘Misdaad of verzet? De zeven onopgeloste gifaanslagen op werkbazen in de Hollandia/Honig Levensmiddelenfabriek te Nijmegen in de bezettingsjaren 1943-1944 en hun nasleep; een reconstructie’, Nijmeegs Katern 32(2018), nr. 1 (februari), 2-11. Bovenstaande tekst is daarvan een verkorte versie.; artikelen De Gelderlander, katern Nijmegen, p. 1 en 3, 15 sept. 2018

 

 

Lees meer




Voor andere personen bij deze gebeurtenis kies:

05 Gifaanslagen op werkbazen in de Levensmiddelenfabriek Hollandia (later Honig), 1943-1944

Meer dan een naam dankzij u. Heeft u informatie over of foto’s van personen op deze site, stuur deze dan naar ons via contact.